Geschiedenis rivierengebied

Op de oude aanzichtkaart van omstreeks 1910 is een deel van de boerderijen van ‘Opijnen Boveneind’ zichtbaar. De Zandstraat was destijds nog een onverharde weg met groene bermen en aan weerszijden sloten. De boerderijen waren bereikbaar via dammen en bruggetjes. Hoewel er sindsdien wel het een en ander is veranderd, is het gebouwenensemble vanaf de Zandstraat gezien nog altijd goed herkenbaar.

Al in de 1573 wordt er melding gemaakt van het dorp Opijnen.

De 80 jarige oorlog begon in 1568. Gedurende deze oorlog werden er 10 tallen wachttorens, ook wel redoutes genoemd, langs de noordkant van de Waal gebouwd. Deze verdedigingslinie, genoemd naar Prins Maurits, was van groot strategisch belang in de strijd tegen de Spanjaarden.

Bij dijkvak 28 is zo’n redoute (de Ronduit)

Vanaf het najaar 1944 was de Waal een grensrivier tussen de Duitse bezetters in de Betuwe en de -meest Canadese en Belgische- bevrijders in het land van Maas en Waal.  De laatste ‘oorlog ‘ speelde zich af in de jaren 90 toen het slopen van dijkbuurten,  leidde tot verzet tegen de dijkversterkingsplannen. In Opijnen Boveneind verdwenen er meer dan elf dijkhuizen. De boerderijen aan de Zandstraat verloren veel grond en liggen nu op het smalste gedeelte tussen de Zandstraat en de dijk.

Ontstaan van de Waaldijken

Gestage groei van de bevolking maakte dat de boeren langs de rivieren meer van de uitstekende rivierkleigrond in gebruik wilden nemen. Daarom moest meer grond gevrijwaard worden van overstromingen door de aanleg van dijken. In de dertiende eeuw ontstond een sluitende bedijking langs de hele Waal. Dankzij de bedijking konden ook de lagere delen van de oeverwallen en zelfs de lage, natte komgronden in gebruik worden genomen. Op de drogere oeverwallen verbouwden de boeren granen, groente en fruit. De nattere gronden in de kommen werden vooral als grasland gebruikt voor het vee. Zo ontstonden uiteenlopende landschappen in het rivierengebied. Op de oeverwallen langs de Waal lagen besloten landschappen met boerderijen, dorpen, wegen met akkers, tuinen, fruitteelt, geboomte.

In de afgelopen eeuwen gingen de boeren zich steeds meer specialiseren. De rivierklei op de oeverwallen was bij uitstek geschikt voor fruitteelt. Het rivierengebied, en dan met name de Betuwe, werd hét fruitteeltcentrum van Nederland. In de zeventiende eeuw sprak men al van de ‘gemeyne appelkelder van Holland en Friesland’ en in 1897 van ‘de fruittuin van Nederland’. Kersen, aardbeien, appels en peren waren belangrijke gewassen. In de grotere plaatsen waren fruitveilingen en fruitverwerkingsbedrijven. Een ervan, ‘De Betuwe’ in Tiel had op zijn hoogtepunt 800 werknemers in dienst. Om reclame te maken voor de jams die de fabriek maakte, werd in 1935 de uit een framboos geboren stripfiguur Flipje bedacht.

Tussen 1930 en 1985 is een groot gedeelte van het platteland van Nederland en zo ook in de Betuwe, in het kader van de ruilverkaveling op de schop gegaan. Het landschap werd aangepast aan de zich in een hoog tempo moderniserende landbouw. Ook de boeren in het gebied tussen Tiel en Waardenburg gingen naar “het veld”. De hoogstamboomgaarden werden gerooid vanwege hun lage opbrengsten en het vele werk wat daarmee samenhangt en veranderde  in grote percelen met rijen fruit, aangepast om goedkoop en efficiënt te produceren.